63
elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om het hont droog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:
„Vervloekte lijkenazers!”
Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.
De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan 't sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achterop den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.
De wolven kwamen nader.... en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere
takjes op----maar toen ’t hout begon te vlammen op den
grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zjn korte, hijgende adem, maar hij kon 't vuur niet doen oplaaien.
De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.