62
houtmijt was ? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.
„Dat zjjn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten te bereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.
„Yuurl Yuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.... en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepenen ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.
De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite om vnur te maken, door twee stukken hout tegen