54
Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft... du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di — als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen...”
„Dan trekken wij wegl” riep Tjeerd.
„Wegtrekken? Bij den iever niet... wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens ... in de heele wereld niet... ’t Is grond waar di niet af mot gaan... Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter... En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst... Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor... Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt... Wij konden 't zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”
„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk... is 't niet Sig?” vroeg Maaike.
En voor ’t vuur staande, voelde zjj de oogen branden door 't stralen van de vlammen in de opwellende tranen.
„Ik weet wel, wat ik doel” zei Sigbert zachtjes knikkend met 't hoofd en daarna star in 't vuur blikkend.
„En wat zou du dan doen, vaêr?”
„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had... dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”
„Dat zeker,” meende Reri.