68
Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”
„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat 't stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op----"
„Zulke beesten 1" riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn----”
„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”
„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”
„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.
„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wy kennen de ware góden.”
„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wy al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij 't zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend hanen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is 't geweest?... Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.