52
„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd."
„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”
Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, eiken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.”
„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri. „Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeeri) zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van 't land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”
„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.
„Nu vraag di mij te veel... dat wist-ie zelf niet meer...
!) Alkmeer = Tempeimeer, naara van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.