51
uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar altoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”
„Grendeldebliksem 1” riep Sigbert, „wat een jammer!”
„Hè____als du eens naar ’t vreemde land was gekomen
Reri. Hoe ziet het er uit?”
„Gezien heb ik het niet hoor____Maar de schipper wist
er al veel van en als ’t niet geweest was dat vaèr mij
hier noodig had, ’k was weer meegegaan____want hij is
weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch
zeevolk er op____allemaal kerels, waar ik nog een peuter
tegen was....”
„En wat zei hij van ’t vreemde land.”
„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”
„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.
„W&Lr? De schipper had zelf zoo 'n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsiai) waar hij geweest was omdat hij er stem had.”
„Hoe is 't mogelijkl Als menschenhoofden!”
„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld 1” „Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.
!) Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl. Quellen und Forschungen zur alten Geschiehte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft II Berlijn 1904.