83
duidingen. Ik wil, dat myn volk zal leven naar zfln verstand en naar het koele overleg en in vrede.”
„En hoe zult di de zieken genezen?”
„Met kruiden en brouwsels.”
„En de kwade geesten uitdrijven.”
„Er z}jn geen kwade geesten,” stoof hij op.
„Maar ik heb er toch velen gezien, die bezeten waren. En ook vaak heb ik ze uitgedreven.”
„Ik heb ze óók uitgedreven____ en ik heb zooals du
zieken geheeld door handoplegging en door het toereiken van vlierwater en berkenmelk of hanevoet of rosmarijn.” „Maar er zijn. lammen en kreupelen genezen en diepe
wonden----du zijt toch in de tent der krukken geweest?”
„Er zijn er ook veel niet genezen.... en die genazen waren dikwerf onwaardiger dan die ongeheeld terugkeerden. Hebt di den Frieschen prins kunnen genezen I Neen nietwaar. Hebt di den ouden Myst in 't leven kunnen terugroepen? Evenmin.”
„Maar hoe verklaart di dan de gelukte genezingen?”
„Ik weet het nog niet----maar ik zal het eens weten.
Men moet alleen maar den moed hebben om door te denken .... niet vreezen voor zijn eigen denkkracht.... de mensch moet niet voor zichzelf bang zijn. Ik weet, hoe ik eerst bang was voor de kleine geesten in den Ravenstroth tot ik mijn vrees overwon en toen vond, dat zij er niet waren. Ik weet, hoe ik toen bang was voor den Nickel-
man.... tot ik durfde en vond, dat hij er niet was----
Ik weet, hoe ik tot op 't laatst bevreesd ben geweest, voor den geest der twee boomen.... tot ik moedig de boomen
velde en vond, dat het louter schal was____En nu moet
ik voorwaarts.... ik wil ook weten, wat de groote góden zfln.... Thius, Wotan, Donar, Freya.... Zie je kind.... om met het zwaard in de hand, welgeoefend te strijden tegen een evenmensch, met de wetenschap, dat men wanneer men valt, als held zal worden gevierd en ’t eeuwige leven
GEK MANIA H.
3