31
„Is dat waar?” vroeg hij ernstig.
„Waarom zou ik di beliegen.... ik heb di toch lief...”
„Hoe ziet hij er uit...."
„Een lange, groote man in een bruine pij, met een groot hoofd, een langen grijzen baard tot op zijn voeten afhangend. Midden in ’t hoofd, boven den neuswortel is een groot, driehoekig, bruin oog, dat straalt als een ster.”
„Kunt di hem mi toonen?"
„Nee.... hoe zou ik dat? Ik zie hem niet altijd en alleen in mijn verrukking____’’
Sogol dacht even na. Zij bleef hem kalm beschouwen, wachtend op zijn woord.
„Komen de voorspellingen uit, die du in dijn verrukking zegt."
„Vaak.”
„Dus niet altijd ?”
„Neen.... niet altijd....”
„Dus vergist Wotan zich dan?”
Zij zweeg nu een oogenblik en dacht na.... Hij lette er niet op en ging, zonder haar antwoord af te wachten, voort:
„Als de góden niet alles weten, weten zij niets.... Ik zal di zeggen, waar dijn Wotan huist, hij en al de
anderen---- Thius, Donar, Balder, Rekwa, Freia, Volla,
Snitgunts, Sunna, Auva, Nerthus, Nehalennia, de Asen, de. Nevelingen, de Walkuren, de Zwanemeiden, allen, allen, de mannen en de vrouwen, de groote en de kleine geesten .... Zij huizen in het hoofd van de menschen, hier achter----”
Hy sloég zich met zijn vuist tegen 't voorhoofd, als wilde hij in toom uit zijn hoofd de verbeeldingen bannen... „Wij zijn allen lafaards.... kloek in ’t gevecht van man tegen man met 't zwaard, maar schichtig als paarden, zoodra er iets is, dat wy niet kennen. Aan ’t domme vee
zijn wy gelyk----neen erger____want 't vee graast en
is tevreden en vraagt niet verder. Maar wij, wy zelve