80
weder zonder zinnen en nu is 't al na den noen. Zoolange bent di zonder zinnen geweest."
„Ik ben dood geweest kind en weer tot het leven teruggekeerd. En wat heb ik van Walhalla gezien of 't Eeuwig
Heiligdom ? Niets----niets____als wij dood zijn gaat het
met ons als met een dood blad----wij worden verpulverd,
zooals du de thym verpulverde en de lavendel, die ook eens leefden.”
„De bloem heeft geen ziel----maar wij menschen hebben
wel een ziel, die weder opstaat.”
„Ja.... zooals de bloem wederopstaat uit zijn zaad.... zoo de mensch.... hij leeft voort in zijn geslacht.... Waar zou de ziel opstaan van den vrekkigen Maresag? De ziel van den priester, die mijn moeder deed ver drinken ?”
„De slechte zielen komen in den donkeren speerstroom, waar zij eeuwig zich wondden aan de punten,” zei Harimona kinderlijk eenvoudig.
„Praatjes, mijn kind. Er is geen donkere stroom, er is geen licht Walhalla.... er is niets, niets____”
„Hoe weet di dat?" vroeg ze angstig, nieuwsgierig.
„Ik heb zeven jaar in een stroth gewoond, die door geesten heette bewoond te zjn. Daar heb ik gezocht, dagen en nachten, en nooit een geest ontmoet. Op ’t allerlaatst scheen er een kwelgeest te huizen, die alles wat men riep of sprak herhaalde. Ik vond zijn hol, dicht bij twee boomen, brandde de boomen aan den voet door tot zijn omvielen. Toen was ook de kwelgeest weg.... Ik heb er lang over gedacht — tot ik gevonden heb, dat die kwelgeest de schal was van 't eigen geluid, dat terugsloeg tegen de twee boomen. Zeg my eens.... eerlijk.... heb di ooit een geest gezien?”
„Ja.... als ik droom.... dan zie ik Wotan en zijn oog —”
Hij keek haar lang en doordringend aan.