19
„We moesten er heen tijgen.”
„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”
„’tMoet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.
„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.
„Grendeldebliksem... de schrabouwen... zij hebben de graankuilen leeggestolen!”
Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.
„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.
„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt."
Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.
Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken. Sigbart, de