20
achtereinden van de baarboomen op zyn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de ylugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij eiken tred van de dragers.
Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.
Sigbart bemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.
„Hebt di wat?" riep Sigbert,
„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen____ik moet me vasthouden om niet te vallen."
Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.
„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen."
Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.
„Yaer!” riep hij. „'k Moest Herebaeld op myn rug nemen en de baar hier laten.”
Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.
Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.
„Vaêr 1” steunde hij.
„Wat is ’t jong?”
„Vaêr, hoordi niks?"