18
„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat 'anders achter, vaêr."
„Wat zou ’t zijn?” vroeg Sigbart ongerust.
„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden— de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen ..."
Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen. Sigbart voelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.
Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden, Sigbart voorop, de twee broers vóór en achter de hand-baar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort, te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd, Sigbart steeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:
„Vaêr, daar is onraad.”
En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.
„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.
„Als ik maar kon zienl” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:
„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”
De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.
„Wie wonen daar?” vroeg Reri.
„Dat moet Hadubrand zijn..... Die heeft toch zulke
popels bij zijn huis____”