164
gaven en ook afgewezen bruidegoms sloten zich bij hem aan, verbeten wegens hun vernedering. HJj had verklaard, dat ’t hem luttel moeite zou kosten om het bedrog der vroede vrouw te ontmaskeren. Als zij vandaag met hem mede wilden gaan, zou hij haar vragen stellen, die zij niet kon beantwoorden en haar tastbare leugens doen opdisschen.
Toen Harimona dezen morgen statig naar heur zetel was geschreden, stonden terzij wel een twintigtal lieden met morrige gezichten en ook de smadelijke blikken van Sogol troffen haar weer.
Zij begon met de gewone zegenspreuken en daarna met de genezingen. Een oud klein mannetje met gebogen rug, trad, het gelaat naar den grond, op haar toe en vroeg met hooge stem of hij zijn zieken zoon, ver in ’t land der Trabiërs, levend zou weerzien.
„Neen... hij zal gestorven zijn, voor di teruggekeerd zijt!” antwoordde Harimona.
Toen was de oude man opeens rechtop gerezen en het bleek, dat de oude man een jongeling was, die zich 't gelaat met asch had ingewreven.
Voor ’t eerst, sedert zij als vroede vrouw optrad, bemerkte Harimona, dat er ook onder het volk waren, die aan haar goddelijke gaven twijfelden. Zij werd verward en keek hulpeloos om naar Maresag, die op den jongeling toetredend, die haar had bedrogen, uitriep: „Du ieverziel, zorg dat du hier wegkomt; want zoowaar, ik zal di bannen en vervloeken.”
„Dijn ban en dijn vloek treffen mij niet. Ik ken di wel Maresag. Du hebt mijnen heers moeder gedood, omdat zij braaf was en haar. goed aan de haag getrokken. Du bent een bedrieger en Harimona is dijn dochter — dat weten wij allemaal. Du bent een vuige roover...”
Maresag had Reri reeds gelast den jongeling weg te slaan. De jongeling, nog slechts gewapend met een kleine speer, wilde zich verzetten, maar Reri pakte de speer met zjjn hand vast en gaf den jongeling met de hand een slag