/
165
op ’t hoofd. Mèt sprong Sogol vooruit en z(jn kortzwaard tegen Reri richtend, zette hy zich in postuur.
Reri wilde nu op Sogol toeslaan, maar Sogol, die groote vaardigheid in ’t schermen met 't kortzwaard bezat, weerde gemakkelijk de stooten van den in ’t zwaardgevecht nog ongeoefenden Bataafschen reus af en sloeg hem ten laatste, door een plotselingen slag dicht bij ’t gevest, het kortzwaard uit de handen. Reri wilde nu het gevecht met de vuist voortzetten, maar dadelyk kwamen zeven, tien, twintig genooten van Sogol op, beschermden hem met getrokken kortzwaarden, bedreigden Reri, die voor de overmacht terugdeinsde.
Harimona, bekomen van haar verwarring, had nu met welgevallen gezien naar den kloeken Nervischen prins. Zij wenkte hem tot haar te komen en toen hy voor heur zetel trad, gevolgd door Haun, die het oude mannetje met zooveel durf bad voorgesteld en zich aan de zijde van zijn dapperen heer veilig gevoelde en de oude Myst, ietwat achterwaarts zich opstelde, begeerig om het verdere verloop van den handel te vernemen, kwam in Maresag de gedacht op, dat hier het menschenoffer gevonden was, dat de groote hoop beneden eischte.
„Kloeke prins,” vroeg Harimona, „waarom werft di niet om myn hand. Hebt di vreeze voor de reuzen, voor den draak, voor den hond en de geit?”
„Leugenkol, meent di, dat ik om dynentwil mijn zwaard zou wetten?”
„Kloeke prins, du zijt verdwaasd. De lastertongen en de godverzakers hebben di tegen mij opgehitst.”
„Ik ben zelf een godverzaker 1” riep Sogol luide. „Er zyn geen geesten en er zyn geen kleine góden. En er is geen toovermacht en er is geen goddelijke genade. Wy zijn allemaal lompe, domme, zwakke menschen, die niet weten wat de groote góden willen, die niet weten waar de groote góden zyn. Du, zoo du daar zetelt, spreekt leugen, wartaal