163
En haar met verachting aanziende, was hij weggegaan en in de kampen teruggekeerd, had bij nogmaals luide verklaard, dat Harimona een valsche priesteres was, een leugendeern en dat Maresag een roover was in priester-kleeren. Dienzelfden dag had hij, staande op een tafel, een rede gehouden tot de vele lieden, die dicht om de tafel geschaard stonden en gezegd, dat er geen geesten bestonden en geen wonderkracht en dat, als er groote góden waren, hij ze uitdaagde, hier op dit oogenblik te verschijnen en hem neer te vellen. Hij had zijn kortzwaard getrokken, het hoog opgestoken tegen den hemel en geroepen : „Goden, die daar wezen mocht, ik vrees di niet. Hier staat Sogol, vorst der Nerviërs. Kortzwaard tegen kortzwaard !”----
En allen hadden verwacht, dat een bliksemstraal hem zou neervellen of dat hij zou neervallen in krampen, maar er was niets geschied. Toen had hij gesproken over de schatten van Maresag, over de machteloosheid van Harimona, die maar weinigen kon genezen doch die den Frie-schen prins niet had kunnen heelen en die alleen diegenen genas, die zichzelve genazen.
Hijzelf zou ook genezen, die bij hem kwamen, doch niet door handoplegging en niet door wonderspreuk maar door natuurlijke heelmiddelen, door kruiden en dranken en wrijvingen met olie.
Men had hem zieken gebracht, die bij Harimona geen genezing hadden gevonden. Hij had ze onderzocht en hun kwalen verklaard. Er was een man met een stijf linkerbeen. Hij had het been gewreven met olie, krachtig en*in één richting en toen, na eenigen tijd, was de stijfheid uit het been geweken en de man kon loopen. Men wilde hem nu ook godenkracht toeschrijven, maar hij verklaarde hun hoe de spieren verstijfd waren door jicht en dat elkeen, die zich oefende, zoo met olie wrijvend, een jichtlijder voor een poos verlichting kon brengen ...
Er waren in het kamp lieden gekomen, die Sogol gelijk