184
geweven wol, riep lachend: „Hettel, sla den rabouw neer!”
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep de Sveef, zijn zwaard trekkend.
„Mijn zoon vecht met de fram!” zei Sigbert, zich voor Reri stellend.
„Laat du di door vaderlief schutten?” lachte de Sveef.
Er waren er, die niet wisten, dat in de welvarende en vreedzame Batouw het kortzwaard in onbruik was geraakt en die meenden, dat een hoorige zich vermeten wilde met een vrij man te vechten. Zij riepen, dat men den knecht neer zou houwen. Maar de grijsaard, om wiens wil Reri in den strijd gewikkeld was, zei, dat de Batouwer vrij man was en anderen, die nu nader kwamen, verzekerden dat zij wisten, dat voor de tent van Sigbert een fram in den grond was gestoken.
„Ik trek alleen kortzwaard!” zei de Sveef verachtelijk.
„Ik dril alleen de fram!” riep Reri, trotsch terug.
„Dan fram tegen kortzwaard!” gilde de boschdeern, die gaarne mannen zag vechten en verzot op ’t gezicht van bloed en wonden.
De ongelijken strijd werd met gemor door de toeschouwers begroet en een vrouw riep, zich tot de boschdeern wendend:
„Wat moeit du di, liederlijke paai. Ik ken di wel hoor. Wilt di onze mans hitsen?”
Een oude man, die veel aanzien had, omdat hij een commandostaf droeg, zei: „ „Kortzwaard tegen fram gaat niet. Maar als du effenen wil, vecht dan met de vuist!”
Een luid geklir met wapens, bewees, dat de heervoerder het goede voorstel had gedaan.
De Sveef, naar den struischen Batouwer opziende, wilde, nog tegenspreken. Op ’t kortzwaard was hij een meester en dan kwam 't meer op kunst dan op kracht alleen aan. Maar bij ’t vuistgevecht kon zelfs een ongeoefende met een