138
Reri had hier een oogenblik gevaar geloopen. Sigbert en Reri stonden naar 't kootjes-werpen te kijken toen een Chat, een grijsaard reeds, met een krachtigen, jongen Sveef strijd kreeg. De grijsaard had gezien, dat de Sveef, voor hij wierp, de drie kootjes langs een rendiertand had gewreven, die hij als amulet om den hals had hangen en wilde üu de winst, twee bronzen knoopen, niet uitbetalen, omdat de kootjes bezworen waren geweest. De Sveef zei, dat de Chat het loog en trok hem bij het lange, witte haar, zoo hem willend dwingen, de winst te betalen.
„Ik heb 't ook gezien. De Chat heeft gelijk!” riep Reri plotseling.
„Grendeldebliksem, waar moei du di in, snotdolf!” riep Sigbert, bevreesd voor een gevecht en Reri meetronend. Reri, gewend zijn vader te gehoorzamen, wilde al meegaan, maar de grijsaard krijschte:
„Hier, de Batouwer zegt het ook... Hulpe, Hulpe ... de Batouwer is getuige geweest!”
Nu kon Reri niet meer terug en de valsche speler op hem toetredend, riep: „Waar moei du di in, schooier!”
„Grendeldebliksem, ik ben een vrije Batouwer!” kreet Reri verontwaardigd. Maar toeschouwers, die hem en zjjn vader met vernedering aanzagen, daar beiden uit armoede diervellen om de voeten gewikkeld hadden in stede van op sandalen te gaan, en in hun door de lange reis verplukte en kaalgeplekte schapenvellen gekleed waren als hoorigen, begonnen te hoonlachen. De jonge, krachtige Sveef, in zijn donkerblauw overkleed met witte dennenaald-omamenten, om ’t middel gesnoerd door een breeden geellederen gordel met groote bronzen gesp, links een kortzwaard dragend in een lederen scheede, die met bronsbeslag, fraaie schelpen, en plaatjes gepolijst barnsteen was versierd, was dadelijk door rasgenooten omringd en een van de boschdeernen, die wegens haar groote statuur zéér door de mannen begeerd was, naderde in een wijd gewaad van lichtblauwe fijn-