185
slag een tegenstander neerslaan. Doch allen drongen nu op een vuistgevecht aan.
Sigbert waagde een laatste poging.
„Sveef!” zei hij, „doe liever den ouden man recht en laat di niet door mijn zoon neerslaan. Het is een goede raad van een vredelievend man----”
„Omdat du 't zegt, vader____welaan dan----ik geef
den grijskop nog een kans----gooi op de kooten.”
Wel morden er nu enkelen, maar Sigbert en Reri gingen samen weg.
„Wat zou ’t geven, den smuigerd neer te slaan?” vroeg Sigbert zijn zoon. En de goedige, kinderlijke reus liep gehoorzaam mede. Achter hen kwam de groote deern aan:
„Wilt du min knecht worden?” vroeg zij Reri, daar zij zijn moed en zijn eenvoud had opgemerkt.
„Ga di weg?” zei Sigbert verachtelijk, haar met de hand dreigend.
Zij bleef staan, verwonderd over die twee arme lieden, die een zoo rijken en begeerlijken post afsloegen.
Maar eenige uren later was de Sveef, door de deern opgehitst, voor de tent van Sigbert en zijn zonen gekomen en had ze voor lafaards!” uitgekreten en ze gedaagd, op elk wapen en op elke voorwaarde. Sigbert en Reri hadden niet willen vechten maar Tjeerd had gemeend, dat ’t schande was voor de menschen, die niet wisten, dat Batouwers alleen vochten als ’t noodig was en niet om ’t vermaak van den strijd en dat Reri een hals was, om zich zoo te laten tarten.
Toen was Reri dan buiten de tent gegaan en was op den Sveef toegeloopen, die met veel stamgenooten daar stond en hij had den Sveef van den grond getild en hem, ondanks spartelen en wanhopig verzet, als een pop beurtelings rechts en links van zich neerzettend en weder optillend en hem daarna met de beide handen boven ’t hoofd houdend