127
„Twijfelt di daaraan?”
„Dus zal 74j mfyn haven doen uitdiepen?”
„Ik beloof het di!”
„En zal zy my tot bruidegom verkiezen?”
„Als du de voorwaarden vervult, zeker.”
„Baza, de geit en Whridlo, den hond, zal ik weten te overwinnen. Maar voor Frango, den draak vrees ik. Zoudt di mi den stryd tegen den recken en den draak niet willen schenken?”
„Als du mi dijn schat geeft, zeker!”
„Du zweert mi bij dijn priestereer, dat du mi voort zal helpen?”
„Ik zweer het, als du mi thans uw wonderschat geeft.” „Welaan dan... zet u neder op dezen zetel en volvoer wat ik di gebiede."
De oude priester, in kindsche hebzucht hopend op de wonderschat, die de vreemde koning uit het verre land had mede gebracht om Harimona's gunst te koopen, zette zich op den zetel neder. Koning Misse knoopte zfln halsdoek los en deze aan Pimm gevend, beval hij hem den grijsaard dezen voor de oogen te binden.
„Waartoe dat?” vroeg de grijsaard angstig.
„Zeide ik di niet, dat de wonderschat door de blinden gezien wordt?”
Pimm bond den ouden gierigaard den doek voor de oogen. „Ik zie niets!” zeide de oude man.
„De voorbereiding is nog niet gereed!”
Mise beval nu Pinn de beenen van den grijsaard met de slippen van diens rok vast aan de pooten van den zetel te binden en aan Pill de armen van den grijsaard met de slippen van diens overkleed vast aan de leuning van den zetel te snoeren.
„Ik zie nog niets!” kreunde de oude man.
„Geduld, geduld, kunt di een wolk van de zon schuiven als die daar voor hangt of moet di wachten tot zjj zelve