HOOFDSTUK XIII.
Het was sedert dagen feest in Renigo. Harimona, de goddelijke jonkvrouw, had door Maresag doen aanzeggen, dat zjj in deze maan zitting zou houden. Er waren terzijde van de groote beukenlaan, loofhutten opgericht voor de priesters, de priesteressen en de voorname personen, die met hun geschenken wachtten op hun beurt van toelating. Ver, daar achter aan de lager gelegen delling, naar de zijde van den breeden Rïn toe, stond het gewone volk wachtend op de toestemming om haar voorbij te mogen loopen in den stoet, die gevormd zou worden. In de laatste dagen was het zeer rumoerig geweest, want de toeloop was groot en de verschillende stammen, hier bijeen komend, raakten vooral als er veel bier gedronken was, al licht in strijd en dan riepen de hoofdlieded hun saks van honderd bijeen en de hoofdman aan de spits stormden -ze, in wigvormige slagorde, op de tegenpartij aan. Rondom stonden de feestgangers om te genieten van dat schoone oorlogsspel, en de vrouwen en moeders en bruiden, die mede gekomen waren, moedigden de mannen aan. Na den strijd lagen dan de gewonden en de stervenden op het veld en nu weenden eü weeklaagden de vrouwen, maar de mannen, die zich zonder een klacht verbinden lieten, waren beschaamd omdat zij ’t verloren hadden en ook wel dreef er 's avonds een lijk op den stroom van een, die een wonde in den rug had ontvangen en niet zoo geschandvlekt, terug wilde gaan naar zjjp stam of van een, die zijn schild had verloren en door een eed gebonden was, zich na dat verlies het leven te nemen. Maar gruwelijker was het, wanneer maagden