120
„Blaas den barditns, den Nervischen barditus mijn jongen. Wij zijn drie góden, grijsheid, wijsheid en jeugd. Hier aan onze voeten liggen de twee slechtë reuzen, die ik geveld heb, vrees en domheid... Wy zyn de góden en wat daar anders bestaat is de weerklank van ons zelf... Blaas mijn jongen, blaas, den strijdzang tegen de valsche góden... 1” En terwijl Haun, blijde met zijn eikenkrans, den Nervischen barditus blies, met krachtige stooten, die nu niet meer angstig driemaal weerschalden, liep Sogol, hoog de eelt boven zyn hoofd zwaaiend als snelde hjj ten strijd tegen een onzichtbaren vijand vooruit, dansend van overmoed, roepend in de holle linkerhand, luide het: „Wij zijn de góden, wij, wy, wy alleen,” tartend omziende tusschen 't hout en boven in ’t loover, terwyl achteraan, angstig en nog altoos twijfelend, de oude priester liep, biddend inzichzelf voor ’t heil van den jongen prins en toch, diep-in, diep-in nog altijd met vreeze verwachtend, dat daar een bliksem zou neerslaan uit de lucht van de groote góden, die de hoovaardy immers bestraffen I...