110
legde ik myn oor op den grond en luisterde. Ik hoorde nu niet alleen het zuchten maar ook een brommerig geruisch, alsof daar beneden veel geesten te samen waren. „Unhold en getwaas!” riep ik, „het gaat tusschen di en mi.” Ik greep een spade en wierp met krachtige stooten den bodem op. Hoe dieper ik kwam, des te meer ik ’t zuchten hoorde en ik hield mijn eelt gereed om toe te slaan, als er een zich vertoonde. Opeens werd de bodem opgewoeld van onderen op en er sloegen met kracht steenen naar boven en slik en stralen stinkend helle-water, maar ik wilde zien en sloeg met mijn eelt er op in en riep: „Bij Grendel, kom er uit, stinkend getwaas I” Doch er kwam een wèl stink-water opborrelen en dat bleef zoo doorloopen tot nu. Ik heb lang gezocht in 't wel-gat om te vinden, wat daar zat.
En ik heb het gevonden____want later hoorde ik verder
weer gezucht en geruisch en ik sloeg weer den grond stuk en weer spoot een wèl op van stinkwater. Het zuchten komt van het opslaan van ’t gesmoorde water tegen de steenen, die den wèl boven afsluiten. Slaat men den steen stuk, dan schiet de wel uit en 't zuchten houdt op en ’t
onderaardsch gerommel. Er is daar geen geest____er is
daar niets anders dan een gröhl diep in den grond, zooals de andere, die vroeger al doorgebroken is, en waarvan toen domme en laffe lieden verhaalden, dat er een Nickelman inzat. Ik kan hier wel twintig wellen slaan met Nickel-mannen van die soort. Het is alles leugen van de geesten; godendienst ontstaat door domheid en lafheid en wordt door luiheid en leugen in leven gehouden.”
Maar de oude priester, hoewel twijfelend, durfde niet toegeven.
„En wat denkt du dan van Wotan en van Thor en van Frija en van de Asen ? Zou du dan ook die willen verklaren voor bedrog?”
„De groote góden heb ik nog niet onderzocht. Als ik kon vliegen gelijk de adelaar en opstijgen hoog in de