111
luchten, altoos maar hooger tot daar waar de zonneschijf staat, dan zoude ik kunnen weten wat de waarheid is omtrent de groote góden. Als ik teruggekeerd ben in mijn land en ik ben tot Koning gekozen, zal ik een vloot van groote schepen doen bouwen. Maar niet om zooals vader naar 't Paardeneiland te gaan om buit en roem, maar ik neem reuzenzwaarden mee en knappe speerwerpers en dan vaar ik den verren oceaan in, tot daar waar de wereld eindigt en de groote hel begint, waar de zeeslangen kruipen en de draken dreigen en de Nevelingen zweven. Daar meester wil ik zien, zoeken en weten.”
„Bent di niet bang?” vroeg de meester ontzet.
„Ik ben het geweest meester, toen ik den beukengeest naspoorde en een eekhoorn vond; toen ik den Nickelman zocht en een aal ving; toen ik den zuchtenden kobold wilde verlossen en een stinkwel zag opspuiten. Daar ginds meester, zal ik voor op de plecht gereed staan met mijn speer en ze in den ondergrond drillen. Ik ben wel zeker al, dat de neveling een groote visch zal blijken te zijn en de afgrond een groote gröhl, die naar een nieuw land voert...."
„En als du met dijne schepen dan eens afvalt van de wereld en stort in ’t niet?”
„Het is dapperder zoo te vallen, dan zooals vader, verzwolgen door den storm met roofgoed of met de saks in de hand tegenover een vijand, die dijn vriend had kunnen zijn. Want of zij er zijn of niet zijn, de groote góden, dat weet ik nog niet. Maar wèl weet ik, meester, dat zij, zoo zij er zijn, ons slechts kwaad willen en als vijanden bekampt moeten worden. Een vriend maakt zich bekend maar een vyand verbergt zich en verstopt zich in geheimen...."
Terwijl de eenzame denker zoo sprak met den zieken grijsaard, liep Haun in het woud en zocht naar noten en vruchten of schoot met zijn speer naar kleinwild en zette strikken op voor vossen en wilde hoenders. Maar ’t liefste toch blies hij op zijn horen, zich verbeeldend dat hij krijgers