105
knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluit-spelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Eoning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Eoning elk een pak buit en slopen het kamp uit.
Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Eoning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:
„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De ver-foeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik myn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.” Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zy myn vader ook bestolen en mijn broers?”
„Wie zijn dat?” vroeg Eoning Mise.
„Sigbart de Batouwër, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.
„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehüiden met bloote voeten en ofider een dek van grauwe wol?”
„Ja... die zyn het.”