106
„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben... Maar haast di, als dyn erfdeel di heilig is!”...
Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:
De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten,
Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.
Pimm sprak:
Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat?
Daar véar noch broer een luttel schelpje had.
Pinn sprak:
Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen,
Zegt hj den bloed: Red vaderliefs sandalen!
Koning Mise besloot:
Den rijke zult di stelen,
Den arme zult di deelen.
En hij stapte waardig voorwaats op een paar schoonbe-werkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.
Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den wel-gelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:
Wie eerlyk barvoets gaat is maar een poen,
Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.
Pimm sprak:
Geroofde schoen,
Geeft ook fatsoen.
Pinn sprak:
Al kan men niet betalen,
Dan draagt men toch sandalen.
Koning Mise besloot:
In schoenen staand van eereljjke lieden,
Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.