104
sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.
Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.
„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd 't kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zyt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”
„Staat gy hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.
„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook 't gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de eelt."
Verwacht du ze niet spoedig hier?”
„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer by te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”
Koning Mise als zyn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:
„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zyn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wy zyn in zijn kamp.”
De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zy sneden de bronzen