108
Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was .opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zjjn aanval.
„Spil geen kracht 1” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hy roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”
„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.
„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hy met zijn kop naar den grond boog.”
„Is dijn vuist nog heel?”
„Ja, Koning.”
„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hy weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet — die breken.”
Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrygen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.
De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.
„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”
„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor