275
RENI
Ik zorg voor hare kleeren, UMBERTO
En ik vraag aan heur meesteres ’t verlof,
Voor 't vroolijk spel.
Zestiende Tooneel.
Vorigen, Beata.
BEATA
Stoor ik u hier mijnheeren? UMBERTO
Niet in het minst.. . mijn vriend sprak juist van u. BEATA
Hoe vleiend .. .
GRAAF RENI
Kan het anders zijn signora,
Waar geest en schoonheid heerlijk zijn vereend,
Met goede vormen, aangeboren adel,
Zoo onderscheiden van het pratte doen,
Der nieuwe rijken, die men thans vaak ziet,
Bij feest en spel en die door hun manieren,
Hun plompen aard, hun opgeblazenheid,
Maar al te duidlijk hunne afkomst melden,
Wij hadden ’t juist nu over echten adel,
Die nooit zich kan verloochnen, waar ’t ook zij. Want kleed een edelman in beedlaarspij,
De wijze, waarop hij de hand ophoudt,