257
Dat fraaie kleed, die schoone spang, maar zie Past wel die bruine steen bij ’t zwart coiffure ?
BEATA
Dat is al weer een domheid van dat meisje.
Dat dwaze ding is werklijk niet te houden,
En na het feest stuur ik haar zeker weg.
UMBERTOVergeef het haar en houd haar nog een poosje,
Ze is nog jong en kan nog heel veel leeren,
In dienst van zulk een hoogstbeschaafde vrouwe.
BEATA
Ja, als ze dat maar eind’lijk wou beseffen.
Van vroeg tot spa geef ik haar onderricht,
Maar zulke meisjes nemen alles licht,
Zij leven bij den dag en weten niet,
Van al de plichten, die ons, eedlen, drukken.
Een kus, een koozerij, een grap, een dans,
Een minnaar en des Zondags een mooi kleedje,
Dan is ze in haar sas, — ’t is me een feetje!
UMBERTOEn ’t is misschien verkeerd, dat men meer eischt,
Van andre meisjes, want daardoor ontstaan,
De hoofsche nuffen, half geleerde vrouwen, Blauwkousen zonder smaak en zonder hart,
Waarvan het tegenwoordig helaas wemelt.
Wanneer een vrouw het zoenen goed verstaat. Verdient ze voor mathesis hoogsten graad.
17