Dan is het kussen, dan weer is ’t bedreigen,
Dan weer beloften, daarna smachtend zwijgen,
Hoe meer ik hem van mij tracht af te stooten, Hoe meer zichzelf hij aan mij op wil dringen.
BEATA
Maar heb je hem dan wel je stand verraden ? SIRENETTA
Dat zeker — en dat ziet hij mij toch aan,
Ik draag toch niet, als u, zoo schoone kleeren,
En geen juweelen en geen parelsnoeren,
Zooeven nog zei ik, mijnheer ik ben,
Niets anders dan een heel eenvoudig meisje,
Mijn moeder is een marktvrouw en mijn vader, Een werkman — ik ben slechts een bloemenmeisje,
BEATA
En wat zei hij?
SIRENETTA
Hij sprak zoo wondervreemd als ik nooit hoorde. Mijn hart, zei hij, wat doet het kleed er toe,
Wat afkomst en wat ouders of geboorte,
Ik zweer je, dat ik je bemin mijn kind,
Geen stand die niet mijn liefde hief,
Ver boven ’s hertogs dochter zelv’, mijn lief.
BEATA
Dus hij zou zelfs een bloemenmeisje trouwen ? SIRENETTA
Met andre woorden liet hij mij dat voelen.