254
Ik tot mijn spijt je moet ontslaan. Want weet,
Mijn zending is geen spel, het lot van ’t land.
Hangt af van ons gedrag, wanneer ’t ons lukt,
Den Hertog voor ons gijzlaars in te nemen,
Geeft hij ons zeker fluks de vrijheid weer,
Wanneer ’t gerecht mijn vaders recht erkent.
SIRENETTAHeeft u van uwen vader reeds bericht ?
BEATAJa, de koerier is heden aangekomen,
Mijn vader meldt, hij ’s doodelijk ongerust,
Omtrent het lot van zijn verdwenen dochter,
En liever hadd’ hij heel zijn rijk verloren,
Zijn rang, zijn staat, zijn troon en zelfs zijn schepter Dan dat zijn eenigst kind hem waar’ ontnomen,
Hij slaapt des nachts niet en hij weent des daags, Loopt krijtend rond en zweert dat hij wil zelf.
Zich als een gijzelaar hier komen melden,
Opdat men hem zijn eenigst kind hergeev’.
SIRENETTADie arme vader — hoe hij haar bemint!
BEATAGij ziet daaruit, het is van hoog belang,
Dat wij zoo snel het gaat weer wederkeeren,
Bemoei je hier wat minder met de heeren.
SIRENETTA’k Beloof het u, maar ach 't ligt niet aan mij, Umberto is gestadig aan mijn zij,