is in een rijke kleedij gestoken en draagt een grooten hoed met veeren).
Doorluchte paal, mijn schoonste reverentie,
Je meent misschien hier staat het dronken Fonsje,
En wacht weer op zijn teederste omhelzing,
Neen oude vriend, neen trouwe paal-sta-vast,
Alfonsje is niet meer het oude sponsje,
Hij ’s nu graaf Tosca, hertooglijk gezant,
En naar den aard van lieden, die omhoog,
Gekomen zijn, hou ’k niet van oude vrienden,
Die ’k in mijn armen tijd goed heb gekend.
Daarom, ga weg jij paal... ik ken je niet,
Nooit als ik zwak ter been hier langs kwam zwieren, Heb jij mij voor een val behoed . ., wat paal,
Ken jij me nog? Hoe is je naam dan paal?
Ik ken je niet, jij oliepittendrager,
Ik ga alleen met kandelabers om,
Met kaarsenluchters en met glazen kronen ...
Alfonso zeg je, ... Fonsje ... oude Fonsje... ?
Wie heette zoo ? Nooit hoorde ik dien naam ...
BEATA
(in eenvoudige kleeding, met een in een doek geknoopt pakje)
Wie is dat... o ik ben ontdekt.. . helaas,
Mijn plan om weg te vluchten is verijdeld,
En ’t kille klooster wacht mij in zijn wanden.
ALFONSO
Zoo deerntje ... waar ga jij zoo heen .. . zoo laat ?
BEATA
Genade beer ... ach heer, heb medelij ...