236
LORENZO
Toen gaf zij zeker gaarne de gewaden?
LUCIO
Integendeel, zij stelde zich te weer,
Zij kreet, zij riep, zij dreigde mij te slaan,
En scheurde deez’ jabot van kant in flarden,
Ze zei, ze wilde zelve medegaan.
En haren plicht als gijzelaarsters boeten,
Riep, dat zij geen bedrog zou dulden, dat Zij wel haar plicht als troonopvolgster wist.
Ik antwoordde, dat zij zich schamen moest,
Dat alles voor haar heil wij overlegden,
En dat zij snood ondankbaar zich betoonde,
En in het klooster, dat haar wachtte wis,
Wel zou tot inkeer komen van haar grillen.
LORENZO
Gij waart wellicht wat hard, maar waarheid is ’t,
De kinderen begrijpen d’ ouders niet,
En later eerst beseffen zij ons pogen,
Wanneer ons moede hoofd voor eeuwig rust,
En zelve zij door kindren zijn omringd.
(Lorenzo, Bozzi, Lucio af)
Negende tooneel.
Alfonso, Beata.
ALFONSO
(Het is donker op het plein geworden. De lantaarn op den paal is opgestoken. Alfonso