238
ALFONSO
Ik heet heer graaf.,. Ik ben heer graaf di Tosca, De meest doorluchte graaf van heel Toscana,
Gezant bij het Modeensche Hof, gestuurd,
Met een bijzondre Missie van den hertog,
Om mijne dochter .... neen om zijne dochter,
Beata, op haar reis te begeleiden,
Daar zij als gijzelaarster is verkozen.
Een slechte keus, want die Beata is,
Een grillig vrouwspersoon, een ware feeks,
Een juffie, die ze maar niet kunnen temmen,
Maar bij mij komt ze aan een slecht kantoor,
Ik pak haar maar zooeven bij het oor.
BEATA
Doorluchte graaf en edele gezant,
Heb medelijden met een arme maagd,
Zooeven door haar meesteres verjaagd.
Omdat zij niet haar booze gril wou volgen,
De veeren van haar mooisten hoed te rukken,
En dien met bloem van knoflook op te smukken ...
ALFONSO
Ah, meisje, noem je dat een gril, dat is,
Een heele wijze daad der meesteres,
Want knoflook is misschien de mooiste plant,
En zeker, juffie, is ’t de nuttigste!
BEATA
Dat zei ik ook, doorluchtigheid, ik zei,
’t Was zonde knoflook op een hoed te zetten.