235
ALFONSO
Dat is een zending nu geknipt voor Fonsje,
Let op, daar steekt in mij een diplomaat,
Die alle echten ver ten achter laat,
Zichzelf te zijn en toch weer niet zichzelf.
En eigenlijk ten laatste toch weer wel,
’k Moet dronken nuchter zijn ... neen, nuchter dronken, Een dronkaard, die geen dronkaard toch mag zijn, Toch eigenlijk een echte dronkaard is,
’k Ben nu al duizelig, laat mij maar waaien,
’t Begint me al van nuchterheid te draaien.
(Hij volgt Sophrona en Sirenetta met de wijnkan in de hand).
LUCIO
(opkomend met de kleederen van Beata over den arm) Dat was een uiterst pijnlijk oogenblik!
Toen ik Beatas kleederen wou nemen,
En dezen hoed en deze robe koos,
En nog dien kraag en dezen kanten hoofddoek,
Vroeg zij, waarom ik haar dit alles nam,
En of dat weer een nieuwe martling was,
’k Vertelde haar toen van Francesco’s eisch,
En hoe wij vreesden voor heur eer en leven,
Dat ’t niet was uitgesloten, dat Umberto,
Francesco’s zoon, een ware Don Juan,
Zich aan de gijzelaarster zou vergrijpen,
En zoo ’t gerecht zich in hun nadeel uitsprak, Misschien uit wraak de gijzelaarster dooden...
(Hij geeft een page de kleederen over, die daarmede den ingang binnengaat, waar Sirenetta verdween).