229
BOZZI
Gegroet mijn Lucio, dank voor uw zorg,
Die onze zorg een weinig zal verlichten.
Want ’t is geen goede tijding, die ik bracht.
LORENZO
Getrouwe Lucio, de vijand sloeg,
Ons leger, dat te overmoedig was,
Thans zullen rechters het geschil beslechten, Maar tot dien tijd eischt de Modener dat, Beata hem als gijzelaarster blijft.
Wij hebben lang een uitweg hier beraden, Maar vinden niets en vragen u om raad.
LUCIO
Beata weg, dat is onmooglijk heer,
Ons aller lieveling, de harteschat,
Van vorst en volk, als gijzelaarster weg,
En hoe, wanneer de rechters ’t oordeel vellen, Naar recht en billijkheid en u het land,
Ten noorden van uw rijk toe zullen wijzen? Dan houdt Francesco zeker uw Beata,
Als pand, totdat gij zelf uw recht verkracht!
LORENZO
Dat is het wat wij beiden ook zeer vreesden.
LUCIO
Maar halt, ik heb een middel heer... de wijn Dien ik zooeven dronk, verheldert mijn Gedachten.... ziet gij hier dit flinke meisje. Fatsoenlijk, rad van tong, vlug van begrip,