203
SOPHRONA
Neen, ton met beenen, dikke kruikebuik,
Vat zonder bodem, okshoofd zonder kraan,
Geef op het loon, waar is het loon der week?
ALFONSO
(hij morrelt aan zijn beurs).
Wel sapprement, hoe kon ik dat vergeten,
Mijn beurs, waar is mijn beurs, dat ik je geef.
Het loon voor zuren arbeid van zes dagen.
(hij doet, alsof hij zijn beurs wil openen). Maar ’t is niet veel deez’ week, mijn brave vrouw,
De vreugde van den Zondag was zoo groot.
Dat ik den Maandag op karwei wat slap was,
Maar Dinsdag had ik alles ingehaald,
Had niet vriend Marius mij meegetroond,
Om ’t nieuwste wijntje op den hoek te keuren,
'k Moet zeggen, ’t wijntje was zeer delikaat,
Na d’ eerste flesch wellicht een ietsje wrang,
Maar ’t tweede glas had al een zoeten nasmaak,
En toen ik eerst drie pintjes had verstouwd...
SOPHRONA (dreigend met den bezem)
Jou liederlijke zwijneblaas, je loon,
Waar is je weekloon van de andere dagen?
ALFONSO
Toen, Woensdag, had ik eenen vreemden droom,
Ik droomde, dat het weder Zondag was,
En met mijn brave vrouw en met mijn dochter,
Ging ik ter kerke en ik weende tranen,
Toen daar de priester over drankzucht sprak,