202
Wanneer de nieuwe wijn versneden wordt.
(Hij pakt ijlings een kruik weg uit de loggia) Dat is mijn kruikje, mijn suikerdebuikje,
Vat van vergetelheid en bron van vreugd.
(Hij drinkt en zingt daarna)
In één ton gaan tachtig pintjes,
Tachtig pintjes in een ton,
Drink je ze met tachtig vrindjes,
Dan verslijt je maar één spon....
(Sophrona van rechts opkomend)
SOPHRONA (gewapend met een bezem)
Daar staat de likkebroer, ’t is godgeklaagd.
Hij drinkt, hij zingt, hij vecht en schopt lawaai,
En laat zijn arme vrouw en dochter zwoegen,
Terwijl ons zure loon verdwijnt in kroegen.
(Als Alfonso de kruik van zijn mond zet en zich met een zwierigen draai op den hiel omkeert, staat hij opeens voor zijn vrouw).
ALFONSO
Dag poezeltje, ik stond je hier te wachten, SOPHRONA
Dag doezeltje, ik stond je hier te wachten.
ALFONSO
Als een er wacht, is het al ruimschoots goed.
Daarom hadie — ’k heb ongedurig bloed.
(hij wil wegloopen, zij pakt hem bij de kladden).