192
En zoo gij ’t niet verstond, smeek niet tot mij.
Maar vraag het haar, dat liefdesmond ’t herhale, Want liefde vindt, wat haat verborgen blijft.
(Hij wijst op Cartolina).
CARTOLINA
Wees gij mijn vader, ik ben dan uw dochter, MAGIËR
Wees gij mijn dochter, ik zij dan uw vader.
Een vader, die ’t geluk zijns kinds wel kent,
Mijn koning hoor, maar nu spreekt niet een smeekling, Doch uws gelijke, want ook ik ben koning,
In ’t verre morgenland ligt mijn groot rijk.
Dat eens een koning uit dees streek verwoestte,
Hij roofde mij het éénigst kind,
(tot Cartolina zich richtend) mijn dochter,
’k Deed afstand van den troon, en zocht mijn ster,
Die mij tot hier geleidde, goede gids,
Daarboven, neem den dank des vaders aan.
Hij heeft zijn dochter eindelijk hervonden,
En kan getroost nu huiswaarts sterven gaan,
KONING
Maar dan is Cartolien van vorstlijk bloed, KONINGIN (tot Magiër)
Uw dochter koning, is mijn zoon dus waardig 1 MAGIËR
O vrouw, niet door haar bloed werd zij prinses,