CARTOLINA
Eens heb ik u beloofd, ik zou u troosten, Wanneer om mijnentwil u leed ervoer,
Welnu, al heb ik dan geen vorstlijk bloed,
Als gindsche vrouw, die haar gelofte brak,
Ik doe als gij gestand, wat ik beloofde,
Kom leg dat moede hoofd op mijnen arm,
Laat mij de tranen uit uw oogen wisschen,
O eenzaam grijsaard houd, dat woord voor u, Want geen geluk is duurzaam dat moet steunen, Op 't ongeluk des andren, daarom kom.
Volg gij uw ster, en ik — ik wil u volgen,
Een vondling en een zwerver hooren saam,
Wees gij mijn vader, ik ben dan uw dochter!
MAGIËR
Heb dank, o ster!
KONINGIN
Het woord, ik wensch het woord. Wat gij dan eischen wilt, het zij het uwe,
Het woord o grijsaard, zeg het woord, het woord!
MAGIËR
O Hemel, dank dat gij mij hebt verhoord.
KONINGIN
Het woord, zie grijsaard, ’k lig aan uwe voeten,
Ik smeek u in het stof, zeg mij het woord.
MAGIËR
O vrouw, zoo even is het woord gesproken,