vel en been zijn. En ik, die léven wil, moet er uit. Om ’t even . . . over honderd jaar zijn we allemaal 'weg. . . Die twee witte velletjes zullen wij eens echt leutig klein stooten . . .
Hij liet zijn winkel aan de winkeljuffrouw over, ging naar Den Haag, zocht zijn amice op en beiden vertrokken ze ’s avonds naar Parijs om er eens een paar lollige dagen van te nemen.
Vandervelde, zijn kennis, was een Belg. Hij was als kellner begonnen, had voor een valschen munter, nagemaakte franken onder de menschen gebracht, was gesnapt, veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en sedert zijn invrijheidstelling had hij geleefd van oneerlijke praktijken, tot hij gehuwd was met een waardin en in het „vak” was gekomen, waarin hij het tot welvaart had gebracht. Ondanks alles sluimerde diep in hem, een besef van ’t onwaardige van zijn leven. Om dat besef te dooden, ten minste terug te dringen, zocht hij zichzelf en anderen er van te overtuigen, dat „de heele wereld van ploeterij aan elkaar hing.” Hij was heimelijk tevreden, dat de bezoekers van zijn dure, sjieke inrichtingen hoofdzakelijk uit lieden der hoogere standen bestonden, vond daarin een verontschuldiging voor zijn bedrijf, noemde zichzelf een nuttig en noodzakelijk lid van de maatschappij.
„Als mijn inrichting er niet was Daan, zou er geen fatsoenlijke vrouw of meisje ongehinderd op straat kunnen loopen. En mijn clientèle wordt door mij net behandeld.
Een glas cognac kost een gulden, maar zij krijgen echte Martell. Een flesch champie een tientje, maar ik geef ze geen bocht maar Moét en Chandon. En alle week komt de dokter driemaal, zoodat ze bij mij niet zoo gauw zoo’n ongeluk zullen krijgen als jou overkomen is. En nu jij?”
In Parijs zochten ze samen alle verdachte inrichtingen van vermaak op. Vandervelde had daar goede bekenden en onder hun vrijgeleide, zwierven zij nachten achtereen langs de boulevard de la Chapelle. in de krochten rondom de Place de la République.
Na een week zich gewenteld te hebben in al het slijk van de wereldstad, reisden ze beiden weer terug, vermoeid en afgemat maar voldaan. Ze hadden geen stap in een museum of in een goeden schouwburg gezet. Het was een zwabberen door eafé’sv