liad misschien Spaansch of Moorsch bloed in zijn aren. De stamvaders hadden er ook plenty bijwijven op nagehouden. Waarom hij dan niet. Omdat-ie hier in een ander land leefde en onder andere zedewettenr ’t Zou wat. Huichelarij. Hij was met zijn amice, voor ze naar Londen gingen, een heelen Zaterdagavond in ’t kleine opkamertje van zijn bordeel in den Haag geweest. Daar had-ie een leutigen avond bijgewoond. Allebei als ouwe wijven verkleed om de duiten in ontvangst te nemen en om eens goed alles op te nemen. Bliksem, hij, Daan Ricardi was een vrouwe-jasser, maar hij stak 't niet onder stoelen of banken. Maar wat-ie daar gezien had, dien avond. Het bloempje van ’t Haaggie had de revue gepasseerd, geachte advocaten, deftige notarissen, een rechter, een lid van de Kamer, een kolonel van de jagers had-ie daar gezien! Allemaal getrouwde lui. En gelachen had hij met zijn amice, den bordeelhouder over de wereld, die groote ploerten-comedie. Maar natuurlijk, hij was aangezien als de rotte appel bij de groenvrouw. Waarom ? Omdat-ie er voor uitkwam, dat-ie leven wou. En nu was 'm een ongeluk gepasseerd. Hij had het waarachtig niet geweten, dat-ie ziek was. Anders had-ie zich liever opgehangen dan zijn vrouw en Marie ongelukkig te maken. Sedert-ie ’t wist, had-ie geen vrouw meer zonder voorzorgen aangeraakt. Hij had zijn natuur gevolgd. Dat ’t zoo ongelukkig afgeloopen was, lag niet aan hem, maar aan die vervloekte maatschappij, die op huichelarij en femelarij was ingericht, die dreef tot stiekumdocn en onderlinge malkaar voor ’t lappie-houderij . . .
Enfin ... de twee vrouwen waren weg en hij had nu alles voor ze gedaan, wat-ie maar voor ze doen kon. Als er nog genezing te vinden was, dan zouwen ze haar genezing krijgen. En nu, vooruit met de guit. Hij had gelukkig weer duiten. En niet voor ’t oogenblik. maar ook voor de toekomst.
Nu kon-ie ten minste weer vrij adem halen.
Jammer dat z'n karkas ziek was. Aanzien deè 'j-’t-’m nog niet. En sterk voelde-ie zich ook nog wèl, Maar toch, van binnen was-ie op. Zijn longen waren aan ’t wegslijmen. Hij gaf telkens bloed op. Jammer, verduiveld jammer. Want ik ben nooit de kwaaiste kérel geweest en ik had lol in ’t leven.
Zooveel willen er uit en die worden zoo oud tot ze alleen