io6
me, als ik de zeeman van z’n schip zie komme. Hebben gezeten midden op de zee op een brok hout drie maanden lang en zich bloedblaren onder de nagels gewerkt met de zeilen en zijn niet éénmaal maar tienmaal in doodsgevaar geweest van lévend te verdrinken. Kommen met hun zuurverdiende centen an de vaste wal en gaan de Zeedijk op en gooien ’t in een danshuis wég met ’n meid. Laten ze 't liever overboord gooien! Dan hebben ze nog de gijn van een plassie te zien en krijgen geen vuile ziekte. Van morgen heb ik er nog een in de winkel, is afgemonsterd en hét in een rooie zakdoek twintig rijksdaalders, ’k Verkoop ’m een phakkie en ik heb ragmones en overvraag ’m geen cènt.
’k Dénk, wat zal ’k zoo’n tobber nebbiesj te duur laten betalen. Die zure limoen, die mij an ’n Jomkippoer achter de toonbank laat darren om God te verzoeken, raakt er zijn gal toch niet mee kwijt als-ik nóg een rijksdaalder méér van die zeeman afneem. En ’k zeg tegen ’m „waar ga je nou héén, bootsman.” „Ik,” zeit ie, „ik ga reis lekker pleizieren op den dijk.” „Zeg-ik, neem een goeie raad an bootsman en breng eerst je centen op de spaarbank. Dan heb je an een ouwen dag om tabak van te kouwen.” Zeit-ie. „Vóór mijn ouwendag komp, leg ik al bij de vissies!” en gaat weg. Wat ik je zeg, mèmmele, allemaal verloren nesjommes. Men doet zichzelf onrecht, als men ze niet de laatste cent uit hun zak afneemt, ’t Is mij alleen een troost geweest, dat ik ’t nog liever gun an de vuilste dèl op de Dijk dan ’an mijn patroon . . . Als ik voor mijnheer De Leeuw een gulden heb ontvangen, is ’t mij geweest alsof ik een rijksdaalder voor mezelf had verdiend . . . Gegund heb ik 't hem als een zoon an zijn vader. . . Jaren hoopt men op een vooruitgang en dan komt de vooruitgang en men is wéér niet tevreden ... ’k Denk nou met spijt an mijn betrekking in de Kalverstraat. . . ’k Zég mij nou nog alle dagen, Nathan, je hebt je geluk niet weten te waardeeren. Een patroon, die hart voor je had. Die je gedragen heit op z’n handen, omdat je je best voor ’m deed. En geëerd en gerespecteerd alsof je van de familie was. En nóg. ’k Heb Dinsdag juffrouw Molly ontmoet en hét ze me compleet angehouwen op de straat en is met me méé gewandeld, ’k Zweer je memmele, de menschen hebben