Kalverstraat

Titel
Kalverstraat

Jaar
1905

Pagina's
368



•door de kinderen, door de handelsvrienden, door het Andere personeel bemind was geweest, hij, de clown, de humorist, ■de komiek, die eiken dag nieuwe gijntjes had, die zelf wat kon verdragen, die daarbij moedig was, in de omwikkeling van zijn gijntjes, vaak hard en waarheid zeggend, trouw aan zijn patroon, déél zich voelend van diens huishouden en tóch goede, hartelijke kameraad van de andere bedienden, die dat over-drukke, dik-tongige, kleine Joodje mochten lijden, altoos voelend hun meerderheid tegenover hem, hun héér-achtigheid en daardoor loyaal, was hij als chef in de zaak van Hirschfeld, door zijn nieuwen patroon van de hoogte af behandeld. Nooit kreeg hij een woord van lof. Het verhaal van zijn gijntjes of streekjes werd door Hirschfeld met een stroef gelaat aangehoord. Hij moest Zaterdagavond zijn salaris bij Hirschfeld komen halen, die hem liet wachten in den winkel, waar géén bediende hem mocht toespreken. Hirschfeld hield niet van dat onderling geklèts. Nathan wou graag zijn hoed in den winkel ophouden, vond dat een éér, maar Hirschfeld had hem, in tegenwoordigheid van 't andere personeel, toegesnauwd, dat-ie zijn hoed had af te zetten, dat-ie zich geen vrijheden had te veroorloven, dat-ie weten moest, dat ie ondergeschikte was en niets méér.

Hirschfeld hield hem onder gestadige controle. Als ’t wat stil was, liep Nathan graag naar de achterkamer bij zijn moeder, scharrelde in ’t keukentje, waar hij altijd een lekkeren mondvol vond, een ui in ’t zuur, een stukje komkommer, een hoekje kalslever. Of zijn oude moeder gaf hem een kommetje warme soep uit den pot, die opstond, een platte koffiehoek, bestrooid met fijn-korrelig maanzaad of ook wel een kransje. Maar kransjes bakte zij niet meer, sedert ,,haar Nathan-God-laat’m-gezond,” verwijtend gezegd had: ,,Wat is dat? Een khoekkie met een gat d’r in. ’t Gat ken men toch niet eten!”

Zijn mond was den ganschen dag in beweging. Hij sprak of hij at en dikwerf deed hij beiden tegelijk. En hij beschouwde zijn snoepzucht als een verdienste. ,,Hèt men niet gelijk memmele, als men zegt, de slechtste Jid is nog béter dan de fijnste Köj. Eet een Kój een stukkie koek of een pietsie zuur als-ie flauw is op z’n maag? Dan drinken ze jenever en kommen naar huis met een opgestreken zeil en slaan de boel stuk. Mijn hart huilt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.