IOI
<lat ouwe serpent eet niet meer bij ons aan tafel... ze heeft nu lang genoeg het leven van mijn arme moeder verpèst. . . Zulk oud vulles, dat levenslang niets anders heeft gedaan dan van haar kinderen gevreten, moest in een ouwewijvenhuis opgeborgen worden ...»
«Ze is mijn moeder!» zei David De Leeuw verzachtend.
«Wees er haar dankbaar voor! Voor ’t mooie leven van zorg dat ze je gegeven heelt. . . Hier, je vrouw is óók moeder . . .
Een kunststuk om moeder te zijn . . . Everdine in Berlijn is ’t ook . . . En binen ’tjaar zal ik óók moeder zijn . . . Wat is dat voor éér ? Wat heelt ze daaraan voor groots gedaan, om ’r levenslang voor onderhouden te worden ?. . .»
Het bleef een oogenblik stil
«Wat ga u nu doen? Verhuizen doen wij niet vader! Ik ga hier niet uit huis, dan als getrouwde vrouw. Al moet ik de deuren barricadeercn . . .
«Maar kind, ik kan geen geld maken!» . . .
«Niet? . . . Dan zal ik er op uitgaan . . . Dan zal ik u eens toonen, hoe men geld maakt...»
Zij stond op, zette in ’t gangetje haar hoed op, liep de straat op, ging rechtdoor naar Hirschfeld. Die zat, goudgeel in ’t gelaat, op zijn privé-kantoor, had juist een bediende weggejaagd, op staanden voet, omdat de man zonder verlof een half uur te laat was gekomen.
«Dag juffrouw De Leeuw!»
«Dag mijnheer Hirschfeld.»
«Wat had u ?»
«Wat ik had? Ik had, dat je moest beginnen op een fatsoenlijkér manier te spreken en een dame, die je de eer van haar bezoek doet, een stoel aan te bieden. Dat had ik...»
Hij was even verbaasd, maar bood haar toch met een gebaar een stoel aan.
Ze ging zitten, keek hem aan met haar blik van dédain.
«U weet zeker, dat ik ga trouwen met Bertels ? Wist u ’t niet? Dan weet u ’t nu. Over drie maanden ben ik mevrouw Bertels. Mijn vader vertelt mij, dat u drie huizen tegenover Bartelkamp en Hoeders hebt gehuurd. Dat is natuurlijk om er een concurreerende zaak in op te zetten...» -