IOO
«Die peer is voor moeder,» zei ze, de vrucht aan Stijntje gevend. «Hier moeder, eet ü die peer...»
«Zie je dat, Dóvid?» vroeg het oude wijfje.
David keek op. Het lag hem op de lippen, zijn vrouw te vragen, de peer aan het oude mensch te geven. Maar wéér zag hij den blik van Molly, sloeg zijn oogen neer.
«Zoo’n rotsnoos!» schreeuwde het besje... «Zal een ouden vader brutaliseeren . . . Als je mijn dochter was, nam ik je op, zoo groot als je bent en gooide je de kamer uit.»
«Wou jij gooien, oud vel... Als jij je niet wat tammer houdt, opvreetster, gooi ik jou de straat op . . . Dat heeft nu lang genoeg geduurd ...»
«Hoor je dat Dóvid?» vroeg het oudje, nog altijd hopend dat haar zoon, zooals hij wel meer deed, in toorn zou opspringen en haar rechten verdedigen. Maar David was moe, was moê van die ruzie, was moê van de zorgen, was moê het leven, het leven van zichzelf, het léven van die oude vrouw, die maar niet sterven wilde.
«U moet u een beetje verdragen met de kinderen,» zei hij zwak tot zijn moeder.
«Wat? Ik mij verdragen?... ik, een oud mensch, zal mij verdragen met die kwaje meid . . . Wie heeft dat meer gehoord !...»
Zij was opgestaan en uit de donkere, oude oogen, de oogen van de vrouw diep-in-de-tachtig, vuurde nog de toorn en de haat.
«Moeder, verstoor mij mijn hap eten niet!» smeekte De Leeuw.
«Verstoren, ik? Die daar, die dikke, oudste zog van je, verstoort je . . . Schande brengt ze over je huis . . . Met een vuile kój gaat ze trouwen... Wacht maar... ’t Zal ’r haar wel naar vergaan . . . Vloeken zal ik ’r voor ik mijn kist inga . . . Vloeken !»
«Nou er uit, vuile kol ... Nou er uit!» schreeuwde Molly.
Ze pakte het besje bij den arm . . .
«Dóvid, Dóvid ... zie je wat ze me andoet! . . . Dóvid,
Dóvid . . . Laat je me dat doen! . . .»
Maar hij bleef zitten, droef en neergeslagen, bang voor zijn dochter, beschaamd dat hij haar niet de vijfhonderd gulden had kunnen brengen.
«Ik heb ’r buiten de kamer gezet» zei Molly, terugkomend, de deur met een harden slag achter zich dicht werpend. «En