99
,,Betaal dan -op — hèb je geld?”
„Op ’t oogenblik niet... de volgende week . . .”
„De volgende week?. . . Dan kan de ouwe man dood zijn . . . En als u het de volgende week niet hebt. . . dan zeker nog weer de volgende week... en als u mij heelemaal niet betaalt ?. . . Wat kan de ouwe man dan nog doen . . . Uw goed staat daar . . . voor vijfhonderd gulden rouwkoop kan u het terug krijgen ..
Twee dagen had hij rondgeloopen om vijfhonderd gulden te leenen. Maar nü eerst ervoer hij, hoe zijn crediet geheel verloren was. Niemand leende den armen David De Leeuw een cent.
Molly was woedend.
„Dat is nu mijn vader. Dat is nu de groote verkooper, die zijn mond zoo kan roeren . . . Dat is een man, die vijf entwintig jaar in den handel is . . . Zijn dochter trouwt een schatrijk man, zijn dochter, die geen rooie duit méé ten huwelijk krijgt, en hij is nog niet bij machte om vijfhonderd guldentjes bijeen te leenen ...”
David De Leeuw stond ineengekrompen en beschaamd voor zijn kind.
„Waar zijn nu al uw handelsvrienden?... Zit u daarvoor tien jaar aan de kletstafel bij Teilenkamp? Gaat u nu eens naar •een broeder . . . U bent toch magon ? U heeft toch altijd zoo’n herrie gemaakt als uw overhemd niet klaar lag of er was een knoopje af, wanneer u naar de Loge ging . . . Als al die broeders nu met mekaar voor u geen vijfhonderd gulden kunnen opbrengen, kan de heele magonnerie me dat likken ...”
En zij wipte haar ronde, weelderige bil op en klapte er met de rechterhand op, dat die trilde.
Wéér was hij er op uitgegaan. Maar toen hij tegen zes uur doodmoede thuis kwam, aan de deur opgewacht door Molly, moest hij haar beschaamd bekennen, dat hij geen cent had kunnen loskrijgen.
Zij zag hem verachtelijk aan, en tijdens het maal at hij zwijgend, ontweek haar blik. De oude grootmoeder, bij het schaarsche dessert van één peer en wat Curagausche amandelen, -wilde de peer op haar bord nemen.
Molly nam de peer voor haar neus weg . . .