92
Haar volle boezem bewoog zich wat sneller op-neer, op-neer. Zij keek hem van terzij verwijtend aan.
«En als ik nu eens ongetrouwd was? Zoudt u mij dan zoo geheel verwerpelijk vinden?»
Zij lachte opeens gul met haar frissche roode mond en het wit der tanden schitterde hem verleidelijk in de oogen.
«O dan . . . neen dan was het natuurlijk wat anders. D&n zou ik gelukkig zijn met iemand zooals u».
Zij beschouwde hem nu van ’t hoofd tot de voeten.
«U bent een knap man . . . maar ik kan er immers niet aan denken . . . u bent nu eenmaal al getrouwd.»
«Maar ik kan scheiden.»
«Dat moet u weten.»
«En als ik gescheiden was.»
«U doet mij zulke moeielijke vragen. Ik heb u al gezegd, dat ik u als man héél goed kan lijden, werkelijk heel goed. Liefde is ’t natuurlijk niet, dat komt niet zoo opeens . . . Maar ’t is immers toch tusschen ons overbodig geflirt. Ik ben fatsoenlijk, in-fatsoenlijk. Ik zou er nooit toe te krijgen zijn om, zooals mijn zus gedaan heeft, te handelen. Ik ben de oudste thuis, ik heb veel meegemaakt, héél veel. Daarom weet ik, dat men zich niet mag wegwerpen . . . Wie mij liefheeft, moet mij zoo liefhebben, dat hij mij trouwt. . . Want alles wat géén huwelijk is, loopt ten slotte altijd ten nadeele van de vrouw uit. Dus nu heb ik het u goed gezegd, mijnheer Bertels: öf niet ... in ’t geheel niet... of trouwen. Er is bij mij geen middenweg . . . kom, kijkt u niet zoo bedrukt en gaat u een anderen weg . . . het zou zoo vreemd zijn, als men ons zoo samen zag; de menschen zijn er zoo gauw bij met hun praatjes en ik, na wat met mijn zuster is gebeurd, moet dubbel oppassen . . . Dag mijnheer.»
Zij was van hem weggeloopen en hij was bedroefd langs een anderen weg naar huis gegaan. Opnieuw begon hij er over na te denken, hoe hij weer vrij man zou kunnen worden, hoe hij van zijn vrouw zou kunnen afkomen. Zijn vrouw, die wel merkte, dat hij niet van haar hield, maar nog altijd geen vermoeden had, dat het Molly was, die zijn leven vervulde, verdroeg zijn nurksche buien, zijn ontevredenheid, zijn vloeken,