36
te laat. De Leeuw kon het schoolgeld niet meer betalen. Het werd hoog tijd, dat één van zijn zes kinderen eindelijk eens onafhankelijk begon te worden.
Molly wou maar niet weg. Michiel Gazan, na langen tijd besluiteloos te zijn geweest, had zich eindelijk voor goed teruggetrokken, zich verloofd met een Duitsch jodinnetje.
De Leeuw, Stijntje, Molly zelve, waren er van overtuigd, dat hij haar om ’t geld alleen had genomen. Molly was woedend, weende dagen achtereen, verweet haar vader, dat hij niet gezorgd had voor een bruidschat, schold op Mr. Gazan, zeggende gelukkig te zijn, dat die huichelaar haar man niet was geworden, die suffert, die sociaal, die met al zijn mooie praatjes van recht voor allen en den kapitalistischen roofstaat, toch zelf maar om de duiten met een Moffin was getrouwd. De Leeuw, zelf materialist, hoewel teleurgesteld, gaf in zijn hart Gazan niet al te zeer ongelijk. Men had in de wereld stand op te houden. Zijn Molly was een mooie, frissche, flinke vrouw, maar het was helaas waar: hij kon geen cent mee ten huwelijk geven en een knappe advocaat met een groote toekomst zou eigenlijk toch wel dwaas zijn, als hij zich aan een doodarm meisje verslingerde. Maar Stijntje, de moeder, was oprecht vertoornd. Die smerige droogpruimer, die rooie Domela, die armoedige anarchist was haar Molly niet waard geweest. Zij wou, dat zij hem achter de tralies kon brengen, die bommenwerper met zijn uitgestreken smoel en zijn fluimerig spraakje.
De minne kom af was er toch weer uitgekomen. Hij was al nét zoo’n sjacheraar als zijn vader, de studentenleip, geweest was. Waarom had hij haar Molly jaren aan ’t lijntje gehouden r Waarom had hij haar met Sinterklaas boterletters gestuurd ? Ze had hem altijd gewantrouwd. Hij had gehoopt, dat Molly wat méé zou brengen. Nu hij zag, dat De Leeuw achteruitging, was hij weggegaan en had zich aan zoo’n Moffin laten sjadjenen. Maar ’t zou hem er naar vergaan. Wie haar Molly trouwde, trouwde een schat. Zoo n huishoudster moest er nog geboren worden. En knap! Fransch sprak ze en Duitsch als water en zij zong als een chanteuse. Was er een mooier meisje onder de Jodinnen in Amsterdam dan zij r Als ze ’s middags een wandelingetje deed, had ze dadelijk de netste heeren achter