moeder aardde, waar wat van terecht zou komen. Everdine bracht haar wel eens wat mede . . . een knot sajet, om sokken te breien voor haar Dóvid, een zakje ulevellen, een kralen knipje.
Dan was de oude vrouw een dag tevreden, prees Everdine bij David De Leeuw, die in zijn rumoerig huishouden de rust voor een poos ziende weerkeeren, Everdine dankbaar was voor de «sjolem» die zij aanbracht, voelde vaag daarin een voorteeken van den grooten vrede, dien zij hem in de toekomst toch nog zou brengen.